Arbocatalogus Afvalbranche

Dé arbostandaard voor alle bedrijven in de afvalsector!
Goedgekeurd door Inspectie SZW

Toepassen maatregelen spuitkop

Printvriendelijke versieAls e-mail versturenPDF document
Maatregel naar plaats in de Arbeidshygiënische Strategie: 
Bronmaatregelen
Beschrijving van de maatregel 

Om het risico van een terugkomende slang bij het reinigen van een (hoofd)riool zo veel mogelijk te beperken, moeten de volgende maatregelen worden genomen:

  • vanwege de uiteenlopende omstandigheden is het afstemmen van het type spuitkop op de diameter van de te reinigen rioolbuis van belang, waarbij het volgende geldt:
    • bij buisdiameters van 200 mm tot 500 mm moet de specificatie van de leverancier worden gevolgd;
    • veiliger dan de standaard spuitkop is het gebruik gebruik van een zogenoemde ‘tandem’; de tandem bestaat uit drie delen; zie nevenstaande afbeelding;
    • bij buisdiameters boven de 500 mm wordt maatwerk toegepast op aangeven van de leverancier van de spuitkop, waarvan het terugkomen onwaarschijnlijk is;
  • een voorloopslang, die minimaal gelijkwaardig is aan de rioolslang, met een lengte van ongeveer 1 meter. Bij het terughalen van de slang uit het riool is de eerste koppeling van de voorloopslang een markering dat de spuitkop eraan komt. Alternatief is om op een afstand van minimaal één meter gerekend vanaf de spuitkop rondom de slang een markering aan te brengen (visuele markering);
  • indien er gewerkt wordt met een afstandsbediening, dan moet deze voorzien zijn van een noodstop;
  • zodra de verbinding tussen de afstandsbediening en het voertuig (constante controle) wordt verbroken, moet het voertuig automatisch in de noodstopcyclus gebracht worden zodat de werkzaamheden direct stoppen;
  • de afstand tussen het voertuig en de afstandsbediening moet langer zijn dan de langste slang die kan worden gebruikt; bijvoorbeeld bij 120 m slang een afstand die groter is dan 120 m;
  • het inbrengen van de spuitkop in de rioolbuis moet door de machinist met de grootst mogelijke aandacht plaatsvinden;
  • er moet rekening mee worden gehouden dat de slang altijd korter wordt als die op druk wordt gebracht;
  • de werkdruk van het reinigingsvoertuig moet geleidelijk worden opgebouwd; vaak is dit al elektronisch geregeld via plc’s;
  • het opstarten van de werkzaamheden met het reinigingvoertuig moet gebeuren altijd vanuit stationair toerental, bij voorkeur via een automatische toerenregeling;
  • bij betonbuizen en rioolbuizen met een diameter vanaf 300 mm wordt een slanggeleider op de rand van de put en/of de rioolbuis gebruikt; de slanggeleider moet met een ketting zijn vastgemaakt aan het voertuig, zodat die strak en op de juiste plaats wordt gehouden;
  • de machinist van het reinigingsvoertuig die deze werkzaamheden uitvoert moet, naast de interne opleiding in het kader van een inwerkprogramma, aantoonbaar opgeleid en in het bezit zijn van het geldig certificaat “Veilig werken aan Riolen”.
Bij afwijking van bovenstaande manier van werken moet er een TRA (taakrisicoanalyse) worden gemaakt, bijvoorbeeld bij zinkers of vierkante putten; dit is nu al standaard praktijk conform VCA** en/of OHSAS.
 
[Bron: paragraaf 5.5 van het Voorschrift veilig werken bij rioleringsbeheer]
Beoogd effect 

De werkwijze die in deze technische maatregel is beschreven, maakt het werken met een spuitkop bij het reinigen van een riool zo veilig mogelijk.

Meer informatie